Inleiding
Ik kwam het onderstaande verhaal op het spoor doordat een van mijn voorouders, de uit Kiel afkomstige slepersbaas Claas Broeks, getuige is geweest van de moord. Het verhaal speelt zich af in de nauwe straten rond de Uilenburgsbrug, in de oude Hoogduitse Jodenbuurt van Amsterdam, waar de bewoners dicht op elkaar leefden in kleine huizen en vochtige kelders. Het was een wijk van armoede, verpande bezittingen en voortdurende geldzorgen, waar menigeen ternauwernood het bestaan wist te rekken.
Hoek van de Oudeschans (links) en de Houtkopersburgwal (rechts) met daarover de Uilenburgerbrug. Op de kade van de Oudeschans is een sleper bezig vaten te verplaatsen. Wintergezicht getekend door Gerrit Lamberts. Datering 1816. Collectie Beeldbank archief Amsterdam.
Wat er aan de moord vooraf ging
Het was een gure en bijzonder natte dag in Amsterdam, die 29e oktober 1748. De dertienjarige Roosje Mozes uit de oude Jodenbuurt kon wel wat geld gebruiken. Cieper Maleyse, een joods meisje van achttien jaar dat vaak bij Roosje over de vloer kwam, wist wel raad. “Geef mij maar je tas met een zilveren beugel. Ik breng die voor je naar een inbrenger, en als je weer geld hebt, koop je hem gewoon weer terug.”
Zo gebeurde het. De inbrenger bood tien gulden voor de beugeltas. Tevreden stak Cieper het geld bij zich. Tegen Roosje zei zij: “Kijk, je beugeltas is 4 gulden en 10 stuivers waard. Hier heb je het geld”. Dat zij de rest in eigen zak had gestoken verzweeg zij.
De moord op het secreet
Anderhalve week later, op zaterdag 9 november, wilde Roosje haar tas terug. Blijkbaar had zij het geld inmiddels bijeen gekregen. Om zes uur ’s avonds ging zij naar de kelder waar Cieper met haar moeder en twee broers woonde. Voor Cieper kwam dit onverwacht: het achtergehouden geld was al uitgegeven. Zij zag nog slechts één uitweg.
Ongezien nam zij een mes van haar moeder en verborg dit in haar kleren. “Kom maar met me mee”, zei zij tegen Roosje, “ik zal je helpen”. Samen liepen zij naar het vrouwensecreet onder de Uilenburgerbrug.
Daar, in de duisternis van het secreet, stak Cieper toe. Zij bracht Roosje vijf dodelijke messteken toe, van de hals tot onder het borstbeen. Roosje gilde en kermde en wist haar aanvaller nog in de vinger te bijten, maar bezweek aan haar verwondingen. Vervolgens nam Cieper de gouden oorbellen van de oorlellen van het meisje af — het werkelijke doel van haar daad. Zowel zijzelf als de sieraden zaten onder het bloed. In de verte sloeg een klok half zeven.
De Steenvoetsluis of Uilenburgerbrug gezien naar het zuiden in de richting van de Joden Houttuinen. Hier vond in 1748 de moord plaats op Roosje Mozes. Stadsarchief Amsterdam, tekening N.M. Wijdoogen circa 1845.
De moord ontdekt
Vlak bij de Uilenburgerbrug waren slepersbaas Claas Broeks en zijn knecht Elbert Beukers in hun stal aan het werk. Claas’ twaalfjarige zoon, die zich in een kamertje bevond, hoorde als eerste het geschreeuw: “Vader, daar is zulk een gekerm en gekreun onder de brug, eveneens of er iemand vermoord werd”.
Claas en zijn knecht gingen onmiddellijk kijken en meenden in het vrouwensecreet gesteun en getrommel te horen. Zij haalden een lamp en daalden de trap af. Claas riep: “wat is er te doen?”
Een klein, bruinachtig vrouwspersoon kwam zeer verward tevoorschijn. Haar gezicht, borst, armen en kleren waren met bloed besmeurd. Zij antwoordde: “mijn broeder heeft mij geslagen daarom ben ik hier onder gevlucht”, en voegde daarna toe: “sus, sus”, kennelijk om hen tot stilte te manen. Toen Claas aandrong en vroeg “hoe zie je er zo uit, heb je een miskraam gekregen, ik moet zien wat er te doen is”, blies zij plotseling de lamp uit en verdween opnieuw in het secreet.
Claas en Elbert liepen de trap weer op om een nieuwe lamp te halen. Nauwelijks hadden zij enkele treden beklommen of zij hoorden dat er iets zwaars in het water viel en sterk plompte. Claas zei: “daar smijt zij het er in”.
Intussen wilde een logé in Claas’ huis eveneens het secreet gebruiken. Daar hoorde hij op het andere secreet verontrustende geluiden, alsof iemand de mond werd dichtgestopt. Terug in huis vertelde hij dit aan Naftali Bendix, die eerst meende dat het ging om hoeren die zich daar “vermengden” met mannen — iets wat in die buurt niet ongewoon was. Maar de logé antwoordde: “Nee, ik heb de armee zolang gevolgd toen ik daar mijn handel dreef, ik weet wel hoe zulke dingen toegaan, het was een geluid als van iemand die men de mond toestopt en vermoordt”. Beide mannen gingen naar de brug en hoorden daar eveneens een zwaar geplons.
Ook de pruikmaker Israël Elias, die over de donkere brug liep, herkende de stem van Claas en hoorde kort daarop een sterk geplomp in het water.
Op het rumoer was inmiddels een grote menigte op de brug samengestroomd. Toen Claas en Elbert met een nieuwe brandende lamp terugkeerden, kwam Cieper opnieuw verward uit het secreet, door Naftali gadegeslagen. Zij liep de trap op en mengde zich tussen de menigte, waarna zij wist te verdwijnen.
Claas, Elbert, Naftali en Israël onderzochten daarop met de lamp het secreet. Voor de zitting lag een grote plas vers bloed, waar nog damp vanaf kwam. Niet ver daarvandaan lag de kuifmuts van Roosje. Door de opening zagen zij in het nog bewegende water het ontzielde lichaam van het meisje drijven.
Bij de inbrenger
Cieper begaf zich onmiddellijk met de gouden oorringetjes naar de inbrenger, die haar als vaste klant goed kende. Zij was zichtbaar gehaast en verward. Voor de oorbellen kreeg zij vijf gulden, waarmee zij direct een eerder verpande gestikte rok loste.
De inbrenger vroeg haar: “wat hoor ik, is er een moord in jouw buurt gedaan?” Zij antwoordde slechts: “zij zeggen het”. De inbrenger merkte op dat er bloed aan de oorringetjes zat.
Brouwerij "De Wereld". Cieper Maleyse woonde in een "kelder" (dat kan ook een lage zolderwoning zijn) in of bij deze brouwerij. Tekening door Gerrit Lamberts. Datering 1816. Collectie Beeldbank archief Amsterdam.
In de kelder van de moordenares
Cieper woonde met haar moeder en twee broers in een kelder over brouwerij “de Wereld” op Uilenburg — vermoedelijk een gewelfde opslagruimte in het brouwerijcomplex, bepaald geen riante woning.
Toen zij thuiskwam zat zij onder het bloed. Haar moeder spoelde haar bebloede jak uit en ging in bed liggen om te doen alsof zij ziek was geworden doordat zij in het water had gelegen.
Buurtbewoner Wolf Markus, die van de menigte op de brug had gehoord dat Cieper verdacht werd, ging omstreeks half acht naar haar kelder. Voor de ingang stond ook Samuel David Levij, maar alleen Wolf ging naar binnen. Hij zag Cieper in haar hemd een kous stoppen en vroeg of zij het zo warm had. Zij antwoordde: “ik ben warm genoeg”. Daarop zei Wolf: “dat loochen ik wel, want daar gaat een gerucht dat jij dat kind vermoord hebt”. Zij antwoordde herhaaldelijk: “zou ik een kind vermoorden en nog wel dat kind, neen, ik heb het niet gedaan”. Toen Wolf bleef aandringen, bekende zij uiteindelijk en zei: “help mij maar dat ik wegkom”.
Kort daarop werd het druk in de kelder. Eerst kwam haar oudste broer binnen. Daarna verschenen Coenraad Rees en Salomon Hendriks, die eveneens over de moord hadden gehoord en daarom poolshoogte kwamen nemen. Terwijl Salomon met de moeder sprak, zag hij een gele kous op de grond liggen, waarop vers bloed zat. Hij riep: “de moordenaars zijn hier in de kelder”. De jongste broer verklaarde daarop: “als je wilt maken dat mijn zuster wegkomt dan zal ik het zeggen”, en voegde eraan toe: “mijn zuster is de moordenares en niemand anders”.
Coenraad en Salomon namen de kous mee naar de kamer van Roosjes grootmoeder.
Zuidkant van het Eiland Uilenburg in Amsterdam. Hierop de Uilenburgerbrug ("B"), Brouwerij de Wereld met molen ("W") waar Cieper wonde en de Achterstraat ("A") waar Roosje woonde. Zuid is boven Plattegrond Gerrit de Broen 1728-1737. Stadsarchief Amsterdam.
In de kamer van de grootmoeder
In de kamer van de grootmoeder van Roosje zat de familie verslagen bijeen. Een oom van het slachtoffer had Cieper daarheen gebracht, gevolgd door Wolf en Samuel.
Bij haar binnenkomst beschuldigde de grootmoeder haar onmiddellijk: “jij komt hier dagelijks zo dikwijls op de kamer. Waarom ben je nu ook meegekomen terwijl je gehoord hebt dat het kind vermoord is?” Cieper antwoordde: “ik heb het niet gedaan. Ik weet nergens van”.
Samuel wees op bloed op haar halsdoek, waarop de grootmoeder de doek van haar hals afrukte. Samuel pakte haar hand en trok een doekje van haar vinger, waaronder een verse wond zichtbaar werd — de bijtwond van Roosje. Cieper verklaarde dat zij die wond al acht dagen had.
Toen Coenraad en Salomon de bebloede gele kous binnenbrachten en haar daarmee confronteerden, ontstond grote beroering. Salomon wilde haar slaan, maar in de verwarring werd opnieuw een kaars uitgeblazen. Toen het licht weer brandde had Cieper bekend: “ik heb het gedaan, ik heb het gedaan“.
Op dat moment verscheen een dienaar van justitie. Cieper probeerde zich nog achter Wolf te verbergen, maar werd door de dienaar gegrepen en weggevoerd.
Later die avond werd het zwaar verminkte lichaam van Roosje naar het huis van haar grootmoeder in de Achterstaat op Uilenburg gebracht.
De lijkschouwing
Op zondag 10 november vond de lijkschouwing plaats in het huis van de grootmoeder, waar het lichaam lag opgebaard. Drie gezworen stadsmedici onderzochten het lichaam en vonden vijf diepe steek- of snijwonden, lopend van de hals tot onder het borstbeen, die gezamenlijk onmiskenbaar dodelijk waren.
De getuigenverhoren
Op dinsdag 12 november werden acht getuigen verhoord en hun verklaringen door notaris Salomon de Fremero vastgelegd. Cieper ontkende vrijwel alles, ook de herkomst van de gele kous en haar betrokkenheid bij de oorbellen.
De inbrenger verklaarde uitvoerig wat zich op 29 oktober en op de avond van de moord in zijn zaak had afgespeeld en toonde het beleende zilveren beugeltasje. Zijn meid bevestigde zijn verklaring. Later verklaarden twee getuigen dat de gouden oorbellen zonder twijfel aan Roosje hadden toebehoord.
Cieper bekent
Twee maanden na de moord, op 9 januari, werd Cieper opnieuw verhoord. Geconfronteerd met de bevindingen van de lijkschouwers brak zij en bekende de moord. Zij verklaarde hoe zij Roosje naar het secreet had gelokt, haar had gedood, de oorbellen had afgenomen en het lichaam in het water had geworpen om ontdekking te voorkomen. Zij handelde alleen.
De volgende dag bevestigde zij haar verklaring en voegde eraan toe dat zij het mes uit de kelder van haar moeder had genomen en het daarna in het water had gegooid. Volgens het sententieboek had zij buiten pijn en banden vrijwillig bekend.
Het vonnis
Op donderdag 23 januari 1749 werd het vonnis uitgesproken in aanwezigheid van de hoofdofficier, burgemeester Hasselaar en alle schepenen. Cieper Malysz werd veroordeeld om op het schavot te worden gebracht, waar zij aan een paal gebonden zou worden, met een mes boven haar hoofd, en daar gewurgd zou worden tot de dood erop volgde. Vervolgens zou haar lichaam naar de Volewijk worden gebracht en daar op een rad worden gelegd, totdat het door weer en vogels was verteerd.
De executie
De openbare executie vond plaats op zaterdag 25 januari 1749 voor het stadhuis, het huidige Paleis op de Dam. Haar lichaam werd enige tijd tentoongesteld en vervolgens naar de Volewijk aan de overzijde van het IJ gebracht als afschrikwekkend voorbeeld voor anderen. Tijdens dezelfde strafplechtigheid werden ook vijf dieven in het openbaar gegeseld, van wie één bovendien werd gebrandmerkt.
Reactie plaatsen
Reacties